Een stukje speciaal voor u, uit een boek dat ik nog moet schrijven.
Alsof ze nooit begrepen had wat ze voelde, keek ze hem aan. Hoe kon hij toch alles zo veranderen met drie lettergrepen? Stilstaand greep ze naar haar haren. Met één hand, want twee is zo dramatisch.
Waren het wel drie lettergrepen? Ze kon het niet zeggen, alles was ze al kwijt. Alleen de klank van zijn woorden greep haar nog steeds in het hart. Een klauw op zoek naar dat tere stukje dat nog steeds aan hem gewijd was. Het bloed probeerde een weg te zoeken tussen zijn giftige pijlen. Dat ging steeds moeilijker.
“Ik mag niet vallen”; dacht ze. Vallen zou alles kapot helpen. Haar sterkte, haar zwakte. Het was nu nét duidelijk genoeg.
Ze viel in de diepte van haar onderbewustzijn. Haar geweten keek haar spottend in de ogen en er klonken liedjes als “zie je wel, zie je wel”. En ze zag twee blauwe ogen, zo blauw als het water van een illusioneel plaatje van de zee.
Zijn ogen waren echt zo blauw. “Het spijt me”: zei hij zacht. Een tere diepe stem zoals altijd in haar gedachten. “Het spijt me dat ik je nooit gelukkig zal maken, maar ik mag het niet.”
Zij boog het hoofd alsof ze de zondares was, de schuldige. Misschien was ze dat ook. “Dat spijt mij ook.” Nu keek hij weg. Weg, naar verte die er niet was. Weg, haar ogen vermijdend. Zou hij weer harde woorden zeggen om haar weer te mogen vangen? Nee, hij zei ze niet meer.
Hij had ze nooit gemeend. Geen ene keer. De overige woorden wel. Lieve woorden, mooie woorden, droomwoorden. Gestolen woorden op gestolen momenten. Terug die ogen. Een kus op haar lippen.
Teder stond hij recht om alleen nog maar vrienden te zijn. Vrienden met veel meer dan vriendschap.